Nazomer in Örebro, ergens in het centrum van Zweden. De kleine studentenstad, gekenmerkt door het enorme kasteel in het hart van de stad, lijkt voor heel even het centrum van de wereld. Een rouwende wereld. Een forse massa van zo’n 20.000 treurende Zweden, bewonderaars, raceliefhebbers, vrienden en familie van Ronnie Peterson begeleiden de Zweedse superster naar zijn laatste rustplaats.

Tussen hen in staat een zwakke, kale, magere man. Hij is teneergeslagen, net als iedereen. Hij kan niet bevatten dat zijn vriend, zijn voorbeeld, nog eerder dan hijzelf is overleden. Even verderop, dicht bij de zakkende kist, staat de jonge weduwe van Ronnie, Barbro. Ze is ontroostbaar. De zwakke, magere man ziet de pijn en het verdriet van de jonge schone en denkt terug aan enkele dagen eerder. De vreselijke beelden staan bij hem, en bij alle anderen, nog vers op het netvlies.

Monza, 10 september 1978. De opwarmronde loopt op zijn einde en de voorste wagens zoeken hun plek op de grid, als de starter veel te vroeg de lichten aanzet. Achteraan hebben de wagens veel meer snelheid dan de wagens vooraan en het veld krimpt daardoor als een harmonica ineen. Patrese snijdt voor Hunt langs. De Brit stuurt zijn McLaren meteen naar rechts en raakt Peterson. Chaos volgt. De Lotus wordt in de barrière gesmeten en vliegt ogenblikkelijk in brand.

Hunt, Regazzoni en Depailler twijfelen geen moment en trekken Ronnie uit de hevig brandende Lotus 79. Even later ligt de Zweed midden op de baan. De enorme schade aan zijn benen is voor iedereen zichtbaar. Vittorio Brambilla is er nog slechter aan toe. De Monza-Gorilla heeft een losgeslagen band tegen zijn hoofd gekregen en is buiten bewustzijn. Vittorio en Ronnie worden met spoed naar het ziekenhuis in Milaan gebracht. Ronnie wordt dezelfde dag nog geopereerd. Het lijkt goed te gaan. Maar ‘s nachts vind zijn beenmerg een weg naar de bloedbaan. Er is geen redden meer aan. Ronnie Peterson sterft op 11 september 1978 aan een embolie.

De zwakke, magere man buigt zijn hoofd naar beneden en staart naar het dorre, bruin gekleurde gras. Hij voelt zich slecht, slechter kan bijna niet. Zijn hoofd zit vol verdriet en zijn lichaam zit vol besmette cellen. Pijn. Altijd maar weer die pijn. Gunnar Nilsson weet dat het niet lang meer duurt voordat hij Ronnie weer zal zien.

Het is zo snel gegaan. Nog geen 16 maanden eerder duikt hij magistraal buitenom bij Lauda en wint even later de Belgische GP, zijn eerste zege. Hij heeft de top bereikt. De andere coureurs, de pers, het publiek en zelfs zijn baas, Colin Chapman… iedereen is lyrisch. De kranten vergelijken hem ineens met de grote Peterson, de man die door iedereen gezien wordt als de beste rijder van de wereld. Wéér een Zweeds natuurtalent, schijven de kranten de volgende dag. Onmiskenbaar op weg naar grote prestaties. On top of the world.

Hoofdpijn begint hem echter steeds vaker te plagen. Misschien een andere helm proberen. Wie weet helpt het. Maar helaas. Ander stoeltje proberen, voor de rugpijn die hem eveneens al een tijdje teistert. Tevergeefs. Wat is dat toch? Het hindert hem, hij kan niet meer vrijuit racen. In de kwalificatie, waarin één vlammend rondje genoeg kan zijn, gaat het nog aardig, maar tijdens races wint de pijn het steeds vaker van het talent.

Het publiek vraagt zich af wat er toch is. De pers zet vraagtekens bij zijn plotselinge terugval. Chapman heeft kritiek. Maar niemand weet hoeveel pijn hij werkelijk heeft. Het wordt ook steeds erger. Ondertussen wil Ronnie ineens weer terug naar Lotus, Chapman grijpt zijn kans, natuurlijk, en legt de superster meteen vast. Daardoor moet hij, Gunnar, op zoek naar een ander onderkomen. Het nieuwe Arrows zoekt toenadering. Zij zijn Zolder niet vergeten, zij geloven in zijn rauwe talent.

De winter moet in het teken van het herstel staan. Weer fit worden. De pijn ergens van zich afschudden. Maar de diagnose van de artsen is onverwacht en schokkend. Teelbalkanker. Een agressieve vorm. Een operatie wordt vrijwel direct uitgevoerd. Die winter komt er helemaal geen herstel. Die winter wordt hij helemaal niet fit. Integendeel. Meer pijn, meer ellende. Meer behandelingen.

Hij blijft knokken, als een ware sportman. Even lijkt hij zich beter te voelen en verschijnt hij zowaar weer eens in het openbaar. In juli bezoekt hij de Britse GP, op Brands Hatch. Hij is bijna onherkenbaar. Kaal, door de bestralingen, en broodmager door de 30 kilo’s die hij kwijt is. Maar hij praat zelfs over een mogelijke comeback. De opleving is slechts tijdelijk. Meer behandelingen volgen. Maar het komt te laat. Het is terminaal, weten de artsen inmiddels. Alles is al uitgezaaid, het is niet meer te stoppen. Het hele lichaam is ziek. Doodziek.

Maar hij wil niet zomaar sterven. Hij weet dat hij zijn eigen gevecht met de vreselijke kanker niet kan winnen. Maar misschien kan hij anderen in hun strijd tegen deze gruwelijke sloper wel helpen. Hij begint te werken aan plannen om zijn naamsbekendheid en zijn verdiende vermogen aan te spreken om een stichting die vecht tegen kanker op te richten. Een hulpmiddel voor de wereld in de strijd tegen de beruchte ziekte. In zijn laatste maanden slaat hij zelfs het aanbod van pijnstillers af. Hij kan ze niet gebruiken want zijn geest moet helder blijven voor de Foundation. Dat is veel belangrijker dan pijnbestrijding. De daad van een échte held.

Vijf weken na de horror van Monza, sterft Gunnar Nilsson. Niet door een inferno, zoals Ronnie deed. Maar stilletjes, uitgeput, verzwakt en moegestreden in het bijzijn van zijn verloofde Christine en moeder Elisabeth. Zijn dood schokt de racewereld, schokt Zweden. Na volksheld Ronnie, sterft nu ook zijn troonopvolger, Gunnar. Beiden waren voorbestemd voor grote daden, maar beiden werden veel te vroeg door het noodlot afgestopt. Zonder kroon. Zonder titel. Zonder glans.

Beide helden worden nooit vergeten. Midden in Örebro prijkt een schitterend monument van Ronnie en zijn racewagen. Op de zijkant van de wagen pronkt het startnummer ‘1’. Het nummer waarvan iedereen wist dat het Ronnie toekwam. Maar hij zou het nummer nooit kunnen dragen. Barbro, de jonge ontroostbare weduwe, komt de klap van Ronnie’s dood nooit meer te boven. Eind ‘87 berooft ze zichzelf van het leven en daarmee Ronnie’s dochter Nina van een moeder. Ze wordt begraven in het familiegraf, bij haar geliefde Ronnie. De Peterson-tragedie is compleet.

Elisabeth, Gunnar’s moeder, zet haar zoons strijd na zijn dood voort. De plannen die hij op zijn ziekbed maakte, zet zij door. In 1979, ongeveer een jaar na Gunnar‘s dood, wordt de Gunnar Nilsson Cancer Foundation officieel opgericht. De stichting groeit snel en strijd tot op de dag van vandaag tegen de afgrijselijke ziekte. Precies zoals Gunnar op zijn ziekbed had bedacht.

De Grand Prix van San Marino, 5 mei 1985, Imola. Na een indrukwekkende opmars door het veld, van 15 naar 1, heeft Stefan Johansson zijn eerste zege voor het grijpen. Maar ineens begint de dorstige turbo achterin de Ferrari te sputteren. Even later stapt de Zweed gedesillusioneerd uit. Geen benzine meer. Het is een laatste stuiptrekking van een natie die ooit de F1-wereld leek te gaan regeren, maar door het noodlot werd ingehaald.

Gunnar Nilsson Cancer Foundation