Monaco 1975, einde van de kwalificatie. Het is een drukte van jewelste in de smalle pitstraat. Rijders komen één voor één binnen. Sommigen staan al te praten met hun engineers. Journalisten zoeken koortsachtig naar die ene coureur die ze een mooie quote wil geven. Een groepje keurig in pak gestoken mannen praten gewichtig met elkaar. Kijken serieus. Wenkbrauwen gefronst. Peinzende mondhoeken. Het is bewolkt buiten, hoewel de lente net begonnen is. Voor één man voelt het echter aan als een kille herfstdag. Hij zit op een tuinstoel in een hoekje van de pits. Staart peinzend voor zich uit. Normaal gesproken zoekt hij de drukte op. Nu niet. Hij heeft er even geen zin in. Hij is terneergeslagen.

Want hier in Monaco, zíjn Monaco, voelt Graham Hill zich ineens niet meer thuis. Hij kijkt naar de druk gebarende Lauda, die zojuist de pole pakte. Hij ziet Pryce, die in zijn Shadow sensationeel naar de tweede plaats is gereden. Even verderop staat Depailler met zijn monteurs te kijken naar zijn Tyrrell-Ford. Peterson trekt zijn overall uit. Zijn halflange blonde haren plakken bezweet aan zijn gezicht. Hunt fluistert een donkere schone wat in haar oor. Hill kijkt het allemaal aan vanuit zijn hoekje in de pitstraat.

Al die jonge kerels. Kinderen bijna. Vol met ambitie. Vol met dromen. Vol met talent. Razendsnel zijn ze. Stuk voor stuk zijn ze 15 of 20 jaar jonger. Hij snapt nu ineens waarom hij zich niet meer thuis voelt. Dit is zijn grid gewoon niet meer. Op zijn grid stond Jimmy altijd op pole. Of Jackie. Soms Surtees, Hulme of Brabham. En hier, in Monaco was hij het zelf zo vaak geweest. Maar Jimmy is er al jaren niet meer. Net als Jackie en al die anderen. Zijn vrienden zijn weg. Alleen hijzelf is er nog. Omdat hij maar niet kan stoppen. Hij wil altijd maar meedoen. En nu mag hij zelfs dat niet meer. Hij is te langzaam. Op zíjn Monaco. En dat doet pijn. Heel erg pijn.

Zijn loopbaan was één lange, geweldige race geweest. Volgepropt met hoogtepunten, zowel op de baan als ernaast. Hoogtepunten behaald door zijn twee grote talenten, zijn stuurmanskunsten en zijn charisma. Beiden had hij nodig gehad om in te mogen stappen. Ooit kreeg hij een lift van iemand. Bleek het Lotus-teambaas Colin Chapman te zijn. Wat een geluk. Colin zocht nog wel een goede monteur. Dat leek Hill wel wat. Met zijn charme, flair en bluf pakte hij Colin zo in dat hij zelf mocht gaan rijden. Voor het eerst, hoe kan het ook anders, op Monaco. Was even wennen. Die Lotus bleef maar uit elkaar vallen. Het waren dan ook niet Chapman’s beste jaren. Twee jaar zonder punten. Dat schoot niet op voor een man met ambities. Graham begon wat te morren. Had kritiek op Colin, die volgens hem meer tijd besteedde aan het bouwen van een nieuw hoofdkwartier dan aan de wagen.

Dan maar de stap maken naar BRM. Langzaamaan ging het beter. Toen kwam die mooie, zonnige dag. Vlakbij het strand van Zandvoort. Tweede op de grid, achter Surtees. Prima start. Hij pakte de leiding. De BRM was snel die dag. Meer dan twee uur later raasde hij voor het laatst door de Tarzan. Nog één keer remmen voor de Gerlach, dan over de Hunserug. Laatste keer over het Scheivlak. Tunnel-Oost. Niemand kon in zijn buurt blijven. Taylor moest in zijn Lotus een halve minuut prijs geven. Phil Hill, de kampioen, reed nog een minuut daarachter. Voor de laatste keer via Bosuit het rechte stuk weer op. De eerste zege!

Hij had de smaak ineens te pakken. Op de fameuze Nürburgring kwam de volgende zege. Daarna Italië en Zuid-Afrika. Er stond beslist geen maat op hem dat jaar. Zijn eerste wereldtitel pakte hij dan ook overtuigend. Ruim voor Jimmy en Bruce McLaren. Ruim voor iedereen eigenlijk. In de jaren die volgden werd hij drie keer tweede. Als was hij er in ‘64 wel heel dichtbij geweest totdat hij door Lorenzo Bandini van de baan gekegeld werd. Surtees, Bandini’s teamgenoot, pakte daardoor de titel. Hill haalde zijn schouders op. Wel won hij drie keer op rij in Monaco. Wat was dat toch? Waarom ging hij toch elke keer zo ongekend hard in Monaco? Waarom voelde hij zich daar toch zo thuis?

Was het misschien de glamour, de celebraties, de status van de race? Zou kunnen. Want dat hoorde ook bij hem. Hij was immers de charismatische levensgenieter. Met de successen kwam de sterrenstatus. En Graham vond het geweldig. De aandacht. De roem. Het was helemaal zijn ding en hij genoot met volle teugen. Als hij niet in de wagen zat, bewoog hij zich op zijn gemak tussen beroemdheden, filmsterren en royalty’s. Zat hij in TV-shows. Engeland had een nieuwe held. De charmante Brit met de typerende snor en het lange haar altijd netjes in model. Hij maakte het publiek steevast aan het lachen met zijn typische Britse humor. Maakte zelfs zijn opwachting in een paar films. Dit was het leven dat hij altijd al had willen hebben. Geld. Roem. Het rijke leven. Racen in topwagens en leven als een ster. De feesten die hij en zijn grote liefde Bette gaven werden beroemd. Engeland, Europa, de wereld lag aan zijn voeten.

Er kwamen wel wat mindere jaren maar tussendoor won hij als rookie de Indy 500. Van het prijzengeld kocht hij een vliegtuig. Een Piper Aztec. Na Bette, hun dochters Brigitte en Samantha, zoon Damon en autoracen werd vliegen zijn volgende grote passie. Maar met BRM ging het steeds minder. Dan maar terug naar Lotus. Als teamgenoot van Jimmy. Chapman’s droomteam. Maar al snel ging het mis. Jimmy schoot tijdens een Formule 2 race op Hockenheim van de baan, knalde tegen de bomen en stierf in het harnas. Verslagen liep Hill tussen de brokstukken van de tegen de bomen stukgeslagen Lotus van zijn vriend. Zoekend naar antwoorden, die hij nooit zou vinden. Maar Hill, de doorzetter, rechtte zijn rug, raapte het team bijeen en begon weer te winnen, natuurlijk ook weer op Monaco. Aan het eind van het jaar was daar opnieuw de titel. Zijn tweede. Maar deze was voor Jimmy.

Het seizoen daarop leek het succes aanvankelijk gewoon door te gaan, zoals altijd. Op Monaco was hij voor een recordbrekende vijfde keer een klasse apart en bevestigde daarmee zijn status als koning van de smalle straten. Maar ineens was het geluk voorbij. Op Watkins Glen spinde hij over wat olie, stapte uit, duwde de wagen aan en stapte weer in. Zijn achterband was langzaam leeg aan het lopen en het team maakte zich klaar voor een bandenwissel. Maar Hill haalde de pits niet. Op het lange rechte stuk explodeerde de band en de Lotus vloog richting een omheining. Graham, die zijn gordel in zijn eentje niet vast had gekregen, werd uit de wagen geslingerd en maakte een harde landing op het gras. Zijn been knakte als een najaarstakje maar, tegen de verwachting in, overleefde Hill de gruwelijke klapper.

Maar het was het begin van het einde. Een lange revalidatie begon. De pers speculeerde volop over zijn afscheid, maar Hill, de doorzetter, wilde er niets van weten. Vanuit zijn ziekenhuisbed maakte hij zelfs nog, al grappend, een TV-optreden op een groot scherm. Zoals altijd. Hij wist dat hij terug zou komen. En bij de start van het seizoen 1970 stond hij inderdaad op de grid, in Zuid-Afrika. Verre van fit. Hij werd weliswaar op een ronde gereden door race winnaar Jack Brabham maar finishte op een knappe zesde plek. In de punten. Na de race bleef hij minutenlang in zijn wagen zitten. Pijn. Vermoeidheid. Hij had hulp nodig bij het uitstappen. Maar hij had het wel geflikt.

Maar toch, de resultaten werden minder en het speculeren over het afscheid ging volop door. Maar Hill wilde er niets van weten. Dit was zíjn leven. Dit was wat hij wilde. Hij kon niet anders dan doorgaan. Inmiddels was hij al 41 en de jaren begonnen te tellen. Snelle, jonge rijders als Rindt ,Cevert, Fittipaldi, Ickx en Peterson kwamen opzetten. Hill kon niet meer winnen. Althans, in de Formule 1. In LeMans behaalde hij nog een heroïsche zege. En daarmee had hij het onmogelijke mogelijk gemaakt. De Triple Crown of Motorsport. Winst in de Indy 500, LeMans én de GP van Monaco. Een ongekende prestatie die tot in de eeuwigheid ongeëvenaard zal blijven. Gelukkig had hij de sceptici die hem af hadden geschreven genegeerd en was hij zo eigenwijs geweest om door te gaan.

Maar nu zit hij hier in Monaco, op zijn tuinstoel. Alweer 46 jaar oud. Goede zitjes zijn al jaren niet meer voor hem weggelegd. Geen teambaas die hem nog wil. Zijn tijd is geweest, zeiden ze. Maar hij vond van niet en begon gewoon een eigen team. Embassy Hill. Hij scharrelde wat vertrouwelingen om zich heen. Monteurs. Ontwerper Andy Smallman. En natuurlijk het grote talent Tony Brise, waarover hij zich had ontfermd. Maar nu hij niet meer snel genoeg is om zich te kwalificeren op Monaco en al die jonge ventjes om zich heen ziet racen, snapt hij het pas. Hij kan ze niet meer bijhouden. Hij kan ze niet meer verslaan. Die mooie, unieke, vijfde zege op Monaco, precies zes jaar geleden, gaat de geschiedenis in als de allerlaatste winst van Graham Hill. Zijn tijd is geweest. Hij stopt. Eindelijk. Bette zal tevreden zijn.

Hij verlaat de sport nog niet helemaal want hij blijft aan als teambaas. Maar het seizoen verloopt moeizaam en Embassy Hill eindigt als elfde in het WK. Als het seizoen voorbij is moet er nog wat getest worden. Die ochtend zegt hij zijn tienerzoon Damon, die op het punt staat om naar school te gaan, gedag en rijdt weg. Met de Piper Aztec vliegt hij naar Frankrijk. Een paar dagen later keert hij alweer terug. Het is november en de gure Engelse herfst gaat langzaam over in de winter. De dichte mist bedekt het koude Britse landschap. Het maakt het aanzien idyllisch maar ook mysterieus. Gevaarlijk. Het is stil. Doodstil. Maar geronk doorbreekt ineens de spookachtige stilte. Het is het geluid van de Piper Aztec. Hill zit achter het stuur, zoekend naar een plekje waar hij zijn vliegtuig kan laten landen. Maar het Britse weer heeft een valstrik uitgezet. De onzichtbare boomtoppen grijpen vanuit de dichte nevel ineens naar het overvliegende toestel en slingert het achteloos de bossen in. De vijf inzittenden hebben geen enkele kans.

De gulle lach van Graham Hill, vader van drie kinderen, tweevoudig wereldkampioen, vijfvoudig Monaco-winnaar en houder van de unieke Triple Crown of Motorsport, zal nooit meer klinken.