Het is zondagmiddag, eind september. In de Portugese badplaats Estoril, nabij hoofdstad Lissabon, vermaken de badgasten zich op het rijkelijk gevulde strand terwijl de zon zijn stralen op hen neer laat vallen. Niet ver van dat strand klinkt een oorverdovende herrie. Een verwoestende herrie zelfs. Twintig racewagens jagen op het nabijgelegen circuit op elkaar, onderweg naar eeuwige roem en glorie. De Portugese racefans die in grote getale de tribunes bezetten, krijgen die dag waar voor hun geld. Ze veren op. Schreeuwen, juichen, applaudisseren iedere keer als hun idolen langs razen. En ze juichen niet zomaar, want iedereen langs de baan ziet de intense strijd die helemaal vooraan het veld is losgebarsten.

Niet alleen de racefans volgen de strijd met passie. Ook de Williams monteurs in de pits kijken opgewonden, maar ook gespannen, naar de race. Want hun rijder, Jacques Villeneuve raast verbeten achter de Ferrari van Michael Schumacher aan. Jacques had op het korte rechte stuk na de Esses al geprobeerd om zijn Williams-Renault aan de binnenkant naast de Ferrari te prikken. Maar de Duitse wereldkampioen wilde er niks van weten en gooide abrupt de deur dicht. Jacques moest wel inhouden en achter aansluiten voor de Parabolica. Maar nu zit hij weer aan de staart van Michael. En de monteurs beseffen ineens wat Jacques wil gaan doen…

In een flits denken ze terug aan die testsessie, een tijdje geleden. Precies hier, in Portugal. Na afloop hadden ze nog wat staan praten. Een levendig gesprek. Veel gebaren. Er werd wat gelachen. Jacques stond er rustig bij, zei niet veel, maar had wel een zelfvoldane glimlach rond zijn lippen. Zijn overall iets te wijd als altijd. Ongeschoren. Beetje ongeïnteresseerd stond hij erbij. Zoals Jacques vaak oogde, zeker tijdens eindeloze testsessies. ’Let maar op’, had hij gezegd. ’Ik zal wel laten zien dat het kan.’ Toen sjokte hij weg. Hij zal geweten hebben dat zij hem hoofdschuddend nastaarden.

De rest bleef nog even staan. Praatte nog wat na. Ze geloofden hem toen niet. Grootspraak, daar hielden ze het maar op. Jeugdige grootspraak. Het kon ook niet anders, wat wist hij nou? Hij kwam net kijken. Eerste jaar in de F1. Nog nooit reed hij hier in zo’n wagen, tot aan die testsessie. Maar testen is heel wat anders dan racen. En zij? Zij kwamen hier al zolang. Zij wisten precies wat hun wagen kon op deze baan. In die bocht. De Ayrton Senna Parabolica. Die laatste lange doordraaier voordat de rijders het rechte stuk van Estoril oprazen. Daar, in díe bocht buitenom inhalen zoals Jacques beweerde, dat kan écht niet. Ook al zei Jacques van wel. Ze hadden hem dan ook gezegd dat als hij dat zou doen, zij hem na afloop wel van de vangrails zouden schrapen.

En nu ze Jacques achter Schumacher zien aanrazen flitst die dag ineens door hun hoofd. En ze weten meteen wat hij van plan is. Het was niet zomaar wat gebluf of stoerdoenerij. Jacques gaat het écht doen. Hij gaat het hen laten zien. De Williams wordt naar de Ferrari toe gezogen. Michael houdt de binnenkant, de ideale binnenkant. Jacques stuurt ineens naar links en zet zijn wagen naast de Ferrari. Zij aan zij razen de twee wagens langs elkaar door de lange doordraaier. De monteurs houden de adem in. Het tempo loopt weer op. Het einde van de bocht nadert, het gas wordt verder ingedrukt.

Maar dan doemt Giovanni Lavaggi op, de veel te trage Italiaan in de al even trage Minardi-Ford. Jacques ziet het gevaar om opgesloten te worden en trapt het gaspedaal nog verder in. De Williams wordt naar buiten gedrukt. De banden schampen het gras, zand spat op, maar Jacques houdt vol. Het werkt, de Williams gaat nu sneller dan de Ferrari en Jacques wurmt zichzelf net op tijd weg achter Lavaggi en schuift voor Schumacher langs. Achter elkaar denderen de twee kemphanen volgas over het rechte stuk. Het publiek veert euforisch op, gebalde vuisten, geschreeuw. Het zweept de rijders op. Michael probeert de slipstream van Jacques te pakken, kijkt even, maar Jacques countert en blijft rechts rijden. Michael duikt naar links maar is te ver. Jacques duikt als eerste de Curval bocht in. De bocht, de roem en de glorie, zijn voor hem.

De Williams monteurs springen, juichen, kloppen elkaar op de rug. Jacques heeft woord gehouden en hun ongelijk bewezen. Zij hoeven hem niet van de vangrail te schrapen, zij moeten hem juist feliciteren. Zij hadden misschien ook wel gelijk dat het eigenlijk niet kon. Maar ze rekenden niet op het buitengewone talent van hun rijder. De racer pur sang. De zoon van zijn vader. En juist dát talent gaf de doorslag. Buitenom inhalen kan daar wel. Maar alleen als je geholpen wordt door heel veel natuurtalent.

Jacques wint die dag. De fenomenale inhaalactie brengt hem zijn vierde, en mooiste, zege. Hij verslaat de regerend wereldkampioen in een rechtstreeks duel en vestigt zich definitief tussen de grote namen van Michael Schumacher en Damon Hill, de heersers van die tijd. Jacques’ lef, verbetenheid, race-inzicht, maar vooral zijn natuurlijke talent openbaren zich die dag in volle glorie. Meer dan ooit vergelijkt de wereld hem in de dagen die volgen met zijn illustere vader Gilles. De ultieme racer. De ongekroonde koning van het asfalt. De veel te vroeg overleden legende. Jacques Villeneuve is nog jong, maar lijkt onderweg naar nog grotere daden.

Twee jaar later. Spa Franchorchamps. De tweede vrije training voor de GP van België. De Williams monteurs kijken naar de tv-schermen als wereldkampioen Jacques Villeneuve de bocht der bochten nadert. De fameuze Eau Rouge. Ze denken terug aan eerder die dag. Jacques had al gezegd dat Eau Rouge flat-out genomen moet worden. ‘Dát is pas racen‘, zei hij nog. Met 290 kilometer per uur raast hij dan ook voluit omhoog als de achterkant van de Williams begint te glijden. Jacques kan de wagen niet meer houden. De banden beginnen te roken, de achterkant haalt de voorkant in. De wagen schiet over het grind en smakt met een enorme klap tegen de wegspattende banden. Natuurtalent kent blijkbaar ook zijn grenzen.